Weten en organiseren

De Wet terugdringen schoolverzuim bevat vier maatregelen die voorwaardelijk zijn om vroegtijdige interventies in te kunnen zetten om langdurig schoolverzuim te voorkomen en verminderen. En om te voorkomen dat kinderen geen vorm van onderwijs krijgen (door beroep op vrijstelling 5 onder a) terwijl er wel onderwijsmogelijkheden zijn. Hieronder wat je moet weten en organiseren.

Een samenvatting van de Wet terugdringen schoolverzuim, die geschreven is voor alle professionals binnen het onderwijs, vind je hier.

Maatregel 1 – Versterken van het verzuimbeleid

Het terugdringen en aanpakken van verzuim vraagt om een gedegen verzuimbeleid op school. Volgens de wet moet het verzuimbeleid opgenomen zijn in de schoolgids/studentenstatuut en in ieder geval onderstaande zes onderdelen bevatten:

  1. De wijze waarop de school of instelling handelt na de constatering van verzuim;
  2. De omstandigheden waaronder zorgelijk ongeoorloofd verzuim wordt gemeld
    (zie voor meer informatie maatregel 3);
  3. De wijze waarop de oorzaken van het verzuim worden geanalyseerd;
  4. De taakverdeling binnen de school of instelling bij het terugdringen van verzuim;
  5. De samenwerking met het samenwerkingsverband, gemeenten en andere betrokkenen buiten de school bij het terugdringen van verzuim;
  6. De wijze waarop het verzuimbeleid wordt gemonitord en geëvalueerd.

Jij schept de voorwaarden voor een sterke beleidsontwikkeling op het niveau van het schoolbestuur/onderwijsinstelling. Je geeft richting aan een gezamenlijke visie, stelt bestuurlijke kaders vast, bevordert eenduidigheid in de aanpak en creëert de voorwaarden voor een goede uitvoering op de scholen. Denk aan het faciliteren in tijd en gezamenlijke professionalisering en kennisdeling. Daarnaast maak je bestuurlijke afspraken met het samenwerkingsverband en regionale partners, zodat scholen kunnen werken binnen een helder en ondersteunend kader.

Je zorgt dus niet alleen dat scholen/afdelingen voldoen aan de wettelijke eisen, maar dat het terugdringen van verzuim school- en bestuursbreed en samenhangend wordt aangepakt als onderdeel van de bestuurlijke koers.

Maatregel 2 – Verbeteren van het zicht op verzuim

Om problematisch schoolverzuim op tijd en adequaat tegen te gaan is het noodzakelijk dat er een goed beeld is van verzuim, zowel van ongeoorloofd als geoorloofd (ziekte)verzuim. Door zorgvuldige registratie en analyse kan beter inzicht worden verkregen in het verzuim en mogelijke oorzaken, waardoor gerichte en passende interventies kunnen worden ingezet. Scholen zijn daarom verplicht om verzuim te registreren in ten minste de categorieën geoorloofd en ongeoorloofd verzuim. De verzuimgegevens worden geleverd aan DUO, die deze verwerkt tot veilige, samengevoegde cijfers en deelt met gemeenten en samenwerkingsverbanden. Zo ontstaat er regionaal zicht op patronen en ontwikkelingen in verzuim, waardoor partners gezamenlijk kunnen inzetten op het voorkomen en terugdringen van schoolverzuim.

De uitvoering ligt bij de schoolleiding en de teams, maar jij zorgt dat processen, systemen en afspraken dit mogelijk maken. Je borgt dat registratiesystemen goed zijn ingericht en functioneren en dat er duidelijke kaders en eenduidige registratiecategorieën binnen het bestuur worden gehanteerd. Je creëert de voorwaarden waarbinnen scholen de gegevens tijdig en volledig kunnen leveren aan DUO.

Daarnaast organiseer je dat er op bestuurs- of instellingsniveau analyse van verzuimgegevens plaatsvindt. Je zorgt dat de opgedane inzichten worden benut voor kwaliteitszorg, beleidsontwikkeling en het gericht ondersteunen van scholen, in samenwerking met partners zoals het samenwerkingsverband, gemeenten en leerplicht.

Maatregel 3 – Tijdig betrekken van de leerplichtambtenaar bij ongeoorloofd verzuim

Het aanpakken van zorgelijk ongeoorloofd verzuim is het meest effectief wanneer vroeg wordt gesignaleerd en gehandeld (Van Sleeuwen & Heyne, 2020).De school kan voortaan eerder een signaal afgeven aan de leerplichtambtenaar bij zorgelijk ongeoorloofd verzuim, nog onder de zestien uur in vier weken grens. De school mag zelf bepalen wat zij onder ‘zorgelijk ongeoorloofd verzuim’ verstaat en legt dit vast in het verzuimbeleid.

Je zorgt voor heldere bestuurlijke kaders rondom zorgelijk ongeoorloofd verzuim, zodat scholen weten wanneer en hoe zij moeten handelen. Als bestuur neem je actief deel aan de regionale afstemming met gemeenten en samenwerkingsverbanden, zodat er waar mogelijk één gedeelde definitie en werkwijze bij zorgelijk ongeoorloofd verzuim ontstaat waarbinnen scholen kunnen werken. Dit maakt het mogelijk dat zorgelijk ongeoorloofd verzuim in een samenhangende, preventieve ketenaanpak kan worden opgepakt.

Bij deze maatregel gaat het uitsluitend om het afgeven van een signaal wanneer sprake is van zorgelijk ongeoorloofd verzuim. Wees je daarnaast bewust dat ook zorgelijk geoorloofd verzuim - zoals veelvuldig ziekteverzuim - een aanwijzing kan zijn voor onderliggende problematiek. Het verminderen en voorkomen van zorgelijk geoorloofd verzuim is een verantwoordelijkheid van scholen en samenwerkingsverbanden, in samenwerking met gemeenten en jeugdhulp. Dit vraagt om een brede blik op de ondersteuningsbehoeften van leerlingen en om de vraag in hoeverre het onderwijs- en ondersteuningsaanbod dekkend en passend is voor de leerlingenpopulatie.

Maatregel 4 – Verbeteren procedure vrijstelling op lichamelijke of psychische gronden

Voor sommige leerlingen is het door lichamelijke of psychische problemen (tijdelijk) niet mogelijk om naar school te gaan. Ouders kunnen in dat geval een beroep doen op een vrijstelling van de inschrijvingsplicht (artikel 5 onder a van de Leerplichtwet). Daarvoor is een verklaring nodig van een arts, waarin staat dat de leerling op dat moment niet in staat wordt geacht om onderwijs te volgen.


Artsen moeten voortaan advies vragen van het samenwerkingsverband over het onderwijskundig perspectief: de ontwikkelmogelijkheden van de leerling in het onderwijs binnen een redelijke afstand van de woonplaats. Dit advies moet als bijlage toegevoegd worden aan de verklaring. Ook verdwijnt het onderscheid tussen de jaarlijkse en permanente vrijstelling: er is variatie mogelijk in de duur van de vrijstelling.

Na het verstrijken van de periode van de vrijstelling moet het proces opnieuw doorlopen worden en dus beoordeeld worden of de vrijstelling nog passend is.

Voor het schoolbestuur van primair en voortgezet onderwijs:

Je zorgt dat er binnen het bestuur en met het samenwerkingsverband duidelijke afspraken worden gemaakt over de procedure rondom advisering ten aanzien van het onderwijskundig perspectief van een leerling. Indien het samenwerkingsverband hierbij advies nodig heeft van scholen: via welke lijnen gaat deze afstemming dan plaatsvinden?

Daarnaast maak je bestuurlijke afspraken met samenwerkingsverbanden en gemeenten over de rolverdeling, informatie-uitwisseling en de gezamenlijke verantwoordelijkheid om onderwijsdeelname te bevorderen, ook wanneer volledige aanwezigheid (tijdelijk) niet mogelijk is.