Weten en organiseren
De Wet terugdringen schoolverzuim bevat vier maatregelen die voorwaardelijk zijn om vroegtijdige interventies in te kunnen zetten om langdurig schoolverzuim te voorkomen en verminderen. En om te voorkomen dat kinderen geen vorm van onderwijs krijgen (door beroep op vrijstelling 5 onder a) terwijl er wel onderwijsmogelijkheden zijn. Hieronder wat je moet weten en organiseren.
Een samenvatting van de Wet terugdringen schoolverzuim, die geschreven is voor alle professionals binnen het onderwijs, vind je hier.
Maatregel 1 – Versterken van het verzuimbeleid
Het terugdringen en aanpakken van verzuim vraagt om een gedegen verzuimbeleid op school. De school moet een aantal onderdelen verplicht opnemen in het verzuimbeleid.
Maatregel 2 – Verbeteren van het zicht op verzuim
Om problematisch schoolverzuim op tijd en adequaat tegen te gaan is het noodzakelijk dat er een goed beeld is van verzuim, zowel van ongeoorloofd als geoorloofd (ziekte)verzuim. Door zorgvuldige registratie en analyse kan beter inzicht worden verkregen in het verzuim en mogelijke oorzaken, waardoor gerichte en passende interventies kunnen worden ingezet. Scholen zijn daarom verplicht om verzuim te registreren in tenminste de categorieën geoorloofd en ongeoorloofd verzuim.
De verzuimgegevens van de leerlingen op de school worden geleverd aan DUO. DUO verwerkt deze gegevens tot anonieme, samengevoegde cijfers en deelt ze vervolgens (beveiligd) met gemeenten en samenwerkingsverbanden. Zo ontstaat er ook regionaal zicht op patronen en ontwikkelingen in verzuim, waardoor gezamenlijk ingezet kan worden op het voorkomen en terugdringen van schoolverzuim.
Uit onderzoek naar ziekteverzuim en kortdurend ongeoorloofd verzuim van Roelofs et al. (2021) blijkt dat in de praktijk de patronen van verzuim niet goed in beeld zijn. Juist patronen waarbij sprake is van een stapeling van kortdurend ongeoorloofd verzuim en ziekteverzuim zijn relevant. Deze stapeling leidt bij een deel van de leerlingen tot ernstige vormen van veelvuldige en langdurige afwezigheid op school. Aandacht voor de analyse van verzuimgegevens is dus van belang, en vooral om ziekteverzuim en ongeoorloofd verzuim in samenhang te bekijken (Roelofs, et al. (2021).
Het is enorm belangrijk om zo vroeg mogelijk te signaleren dat het op school niet goed gaat met een leerling. Wanneer een leerling aangeeft dat dingen niet goed lopen is het cruciaal om daar écht naar te luisteren. Vaak kun je dan nog met relatief eenvoudige maatregelen voorkomen dat een leerling vast loopt op school.
Maatregel 3 – Tijdig betrekken van de leerplichtambtenaar bij ongeoorloofd verzuim
Het aanpakken van zorgelijk ongeoorloofd verzuim is het meest effectief wanneer vroeg wordt gesignaleerd en gehandeld (Van Sleeuwen & Heyne, 2020). Voor de meeste leerlingen die één of enkele uren ongeoorloofd afwezig zijn, zal een gesprek tussen leerlingen, ouders en de school leiden tot een vermindering van het verzuim. In sommige gevallen is samenwerking met andere partijen nodig.
De school kan voortaan eerder een signaal afgeven aan de leerplichtambtenaar bij zorgelijk ongeoorloofd verzuim, nog onder de zestien uur in vier weken grens. De school mag zelf bepalen wat zij onder ‘zorgelijk ongeoorloofd verzuim’ verstaat en legt dit vast in het verzuimbeleid.
Bij deze maatregel gaat het uitsluitend om een signaal wanneer sprake is van zorgelijk ongeoorloofd verzuim. Hoewel ook zorgelijk geoorloofd verzuim (zoals veelvuldig ziekteverzuim) een aanwijzing kan zijn voor onderliggende problematiek, ligt hier geen taak voor de leerplichtambtenaar. Het verminderen en voorkomen van zorgelijk geoorloofd verzuim is een verantwoordelijkheid van scholen en samenwerkingsverbanden in samenwerking met gemeenten en jeugdhulp. Dit vraagt om een brede blik op de ondersteuningsbehoeften van leerlingen en om de vraag in hoeverre het onderwijs- en ondersteuningsaanbod dekkend en passend is voor de leerlingenpopulatie.
Maatregel 4 – Verbeteren procedure vrijstelling op lichamelijke en psychische gronden
Voor sommige leerlingen is het door lichamelijke of psychische problemen (tijdelijk) niet mogelijk om naar school te gaan. Ouders kunnen in dat geval een beroep doen op een vrijstelling van de inschrijvingsplicht. Daarvoor is een verklaring nodig van een arts, waarin staat dat de leerling op dat moment niet in staat wordt geacht om onderwijs te volgen.
Artsen moeten voortaan advies vragen van het samenwerkingsverband over het onderwijskundig perspectief: de ontwikkelmogelijkheden van de leerling in het onderwijs binnen een redelijke afstand van de woonplaats. Dit advies moet als bijlage toegevoegd worden aan de verklaring. Ook verdwijnt het onderscheid tussen de jaarlijkse en permanente vrijstelling: er is variatie mogelijk in de duur van de vrijstelling.