Wet terugdringen schoolverzuim | Doelgroep 4: de schoolleiding en beleidsmaker op school-/afdelingsniveau
Of een school erin slaagt om verzuim terug te dringen, hangt mede af van de koers die de schoolleiding of beleidsmaker(s) uitzetten en de randvoorwaarden die zij creëren.

Veel scholen hebben al stappen gezet in het versterken van hun verzuimaanpak. De Wet terugdringen schoolverzuim sluit aan bij wat al goed gaat op veel scholen en biedt handvatten om het fundament verder te versterken en te verduurzamen. De wet vraagt niet alleen om het naleven van nieuwe regels, maar ook om het versterken van een schoolcultuur waarin preventie de norm is en waarin verzuim vroegtijdig wordt herkend en aangepakt.
Als schoolleider of beleidsmaker heb jij hierin een sleutelrol. Jij creëert de voorwaarden waarin signalen niet alleen worden opgemerkt, maar ook worden besproken en opgevolgd. Dat vraagt om duidelijke processen, een gedragen verzuimbeleid dat verankerd is in de ondersteuningsstructuur, een professionele cultuur en een team dat weet wat er van hen wordt verwacht. Daarbij geef jij richting: je bepaalt het kader, faciliteert de uitvoering en zorgt dat de school als geheel werkt vanuit één schoolbrede aanpak — of je nu vooral wilt borgen wat al goed gaat, of juist verdere stappen wilt zetten.Vanuit een positief, ondersteunend pedagogisch klimaat en goed onderwijs werken aan de voorwaarden die ervoor zorgen dat leerlingen graag naar school gaan, zich gezien voelen en zich optimaal kunnen ontwikkelen.
Maatregel 1: Versterken van het verzuimbeleid
Het terugdringen en aanpakken van verzuim vraagt om een gedegen verzuimbeleid op school. Volgens de wet moet het verzuimbeleid in ieder geval onderstaande zes onderdelen bevatten. Deze onderdelen hebben betrekking op alle leerlingen op een school, dus zowel de minderjarigen als alle meerderjarigen (met uitzondering van onderdeel twee):
- De wijze waarop de school of instelling handelt na de constatering van verzuim;
- De omstandigheden waaronder zorgelijk ongeoorloofd verzuim wordt gemeld (zie voor meer informatie: Maatregel 3);
- De wijze waarop de oorzaken van het verzuim worden geanalyseerd;
- De taakverdeling binnen de school of instelling bij het terugdringen van verzuim;
- De samenwerking met het samenwerkingsverband, gemeenten en andere betrokkenen buiten de school bij het terugdringen van verzuim;
- De wijze waarop het verzuimbeleid wordt gemonitord en geëvalueerd.
Het verzuimbeleid is een verplicht onderdeel van de schoolgids. De zes verplichte onderdelen van het verzuimbeleid moeten dan ook opgenomen zijn in de schoolgids (met instemmingsrecht van de MR) of – in het mbo – in het studentenstatuut (met instemmingsrecht van de studentenraad). De school mag zelf bepalen op welke wijze het verzuimbeleid opgenomen wordt in de schoolgids of het studentenstatuut. Dit kan in de lopende tekst worden opgenomen of er kan verwezen worden naar het verzuimbeleid.
De zes verplichte onderdelen vormen geen uitputtende lijst van de onderdelen waaruit het verzuimbeleid moet bestaan. Het ligt voor de hand om daarnaast ook andere relevante informatie op te nemen, zoals de wijze van verzuimregistratie en de procedure voor het aanvragen van verlof. De school is vrij om, naast de verplichte onderdelen, aanvullende elementen op te nemen.
In onderstaande tabel worden de zes verplichte onderdelen van verzuimbeleid nader toegelicht.
Het verzuimbeleid moet niet alleen gaan over alle afspraken en consequenties. Richt het ook op hoe de onderwijsdeelname van alle leerlingen wordt bevorderd en welke ondersteuning er vroegtijdig beschikbaar is als er sprake is van een verminderde schoolaanwezigheid
Maatregel 2: Verbeteren van het zicht op verzuim
Om problematisch schoolverzuim op tijd en adequaat tegen te gaan is het noodzakelijk dat er een goed beeld is van verzuim, zowel van ongeoorloofd als geoorloofd (ziekte)verzuim. Door zorgvuldige registratie en analyse kan beter inzicht worden verkregen in het verzuim en mogelijke oorzaken, waardoor gerichte en passende interventies kunnen worden ingezet.
Daarom is in de wet het volgende opgenomen:
- Registreren van geoorloofd en ongeoorloofd verzuim
Scholen worden verplicht om verzuim te registreren in de categorieën geoorloofd en ongeoorloofd verzuim. - Aanleveren van verzuimgegevens
Scholen moeten via het registratiesysteem verzuimgegevens leveren aan DUO). DUO verwerkt deze verzuimgegevens tot veilige, samengevoegde cijfers (geaggregeerd) en deelt ze vervolgens op nader te bepalen momenten in het kalenderjaar (beveiligd) met gemeenten en samenwerkingsverbanden (voor funderend onderwijs). Objectieve en actuele gegevens zijn noodzakelijk voor gemeenten en samenwerkingsverbanden om aan hun wettelijke taken invulling te kunnen geven en hun beleid inzake preventie beter uit te kunnen voeren.
In de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) wordt nader uitgewerkt welke verzuimgegevens scholen precies moeten leveren aan DUO, hoe vaak dit gebeurt en hoe het aanleverproces wordt ingericht. Uitgangspunt is dat deze informatieverstrekking geautomatiseerd plaatsvindt om de gevolgen voor de regeldruk voor scholen zo beperkt mogelijk te houden. De AMvB bevindt zich op dit moment nog in het besluitvormingsproces. Zodra de AMvB is vastgesteld, volgt aanvullende informatie. De beoogde inwerkingtreding is op 1 augustus 2027.
Uit onderzoek naar ziekteverzuim en kortdurend ongeoorloofd verzuim van Roelofs et al. (2021) blijkt dat in de praktijk de patronen van verzuim niet altijd goed in beeld zijn. Juist patronen waarbij sprake is van een stapeling van kortdurend ongeoorloofd verzuim en ziekteverzuim zijn relevant. Deze stapeling leidt bij een deel van de leerlingen tot ernstige vormen van veelvuldige en langdurige afwezigheid op school. Aandacht voor de analyse van verzuimgegevens is dus van belang, en vooral om ziekteverzuim en ongeoorloofd verzuim in samenhang te bekijken (Roelofs, et al. (2021)
Maatregel 3: Tijdig betrekken van de leerplichtambtenaar bij ongeoorloofd verzuim
Het aanpakken van zorgelijk ongeoorloofd verzuim is het meest effectief wanneer vroeg wordt gesignaleerd en gehandeld (Van Sleeuwen & Heyne, 2020).Voor de meeste leerlingen die een of enkele uren ongeoorloofd afwezig zijn, zal een gesprek tussen leerlingen, ouders en de school leiden tot een vermindering van het verzuim. Bij sommige casussen is samenwerking met andere partijen nodig.
Daarom is in de wet het volgende opgenomen:
- De school kan voortaan eerder een signaal afgeven aan de leerplichtambtenaar bij zorgelijk ongeoorloofd verzuim. Dit betreft ongeoorloofd verzuim dat aanleiding geeft tot zorgen, maar ónder de 16‑uursgrens in 4 weken blijft.
De procedure voor dit signaal is hetzelfde als de procedure voor de melding ongeoorloofd verzuim van zestien uur in vier weken.
Let op! Het betreft hier nadrukkelijk géén wettelijke verplichting. - De school mag zelf bepalen wat “zorgelijk” is en legt dit vast in het verzuimbeleid, dat in de schoolgids staat (of in het geval van het mbo in het studentenstatuut).
Als voorbeelden worden genoemd: herhaald te laat komen, als een leerling meermaals in vier weken tijd net onder de meldgrens van zestien uur blijft, als er sprake is van een combinatie van ongeoorloofd verzuim en veelvuldig geoorloofd verzuim of als er sprake is van risicofactoren thuis of op school.
Bij deze maatregel gaat het uitsluitend om een signaal wanneer sprake is van zorgelijk ongeoorloofd verzuim. Hoewel ook zorgelijk geoorloofd verzuim (zoals veelvuldig ziekteverzuim) een aanwijzing kan zijn voor onderliggende problematiek, ligt hier geen taak voor de leerplichtambtenaar. Het verminderen en voorkomen van zorgelijk geoorloofd verzuim is een verantwoordelijkheid van scholen en samenwerkingsverbanden in samenwerking met gemeenten en jeugdhulp. Dit vraagt om een brede blik op de ondersteuningsbehoeften van leerlingen en om de vraag in hoeverre het onderwijs- en ondersteuningsaanbod dekkend en passend is voor de leerlingenpopulatie.
Nauwkeurig registreren, er ‘bovenop zitten’, een goede regionale samenwerking, maar voorál: in gesprek blijven met de verzuimende leerling en de ouders.
De huidig geldende wettelijk verplichte meldingen blijven bestaan.
Voor leer- en kwalificatieplichtige leerlingen (onder de 18 jaar):
- Ongeoorloofd verzuim van 16 uur in vier weken: indien een leerling in een periode van vier aaneengesloten schoolweken minimaal 16 uur ongeoorloofd afwezig is.
- Langdurig relatief verzuim: indien een leerling minimaal vier aaneengesloten weken continu ongeoorloofd afwezig is.
- Luxe verzuim: Indien een leerling zonder toegekend verlof buiten de schoolvakanties om op vakantie is gegaan.
Voor leerlingen die niet meer leer- of kwalificatieplichtig zijn, maar nog geen startkwalificatie hebben (18-plussers):
- Ongeoorloofd verzuim van jongeren die onder de doelgroep van het Doorstroompunt vallen (RMC-melding – voortijdig schoolverlater): Een voortijdig schoolverlater is een jongere op wie 1) de Leerplichtwet 1969 dan wel de Leerplichtwet BES niet meer van toepassing is en jonger is dan 27 jaar 2) die niet in het bezit is van een startkwalificatie en 3) ten minste vier aaneengesloten weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode continu afwezig is zonder geldige reden.
- Naast RMC-melding is het verplicht een melding te doen van ongeoorloofd verzuim (>5 weken) van een scholier of student die 18 jaar of ouder is en studiefinanciering of tegemoetkoming scholieren ontvangt:
- Studenten die studiefinanciering krijgen, die vijf weken aaneengesloten verzuimen zonder geldige reden.
- Leerlingen op het voortgezet (speciaal) onderwijs of de vavo die een tegemoetkoming ontvangen op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos), die vijf weken aaneengesloten verzuimt zonder geldige reden.
Maatregel 4: Verbeteren procedure vrijstelling op lichamelijke en psychische gronden
Voor sommige leerlingen is het door lichamelijke of psychische problemen (tijdelijk) niet mogelijk om naar school te gaan. Ouders kunnen in dat geval een beroep doen op een vrijstelling van de inschrijvingsplicht (artikel 5 onder a van de Leerplichtwet). Daarvoor is een verklaring nodig van een arts, waarin staat dat de leerling op dat moment niet in staat wordt geacht om onderwijs te volgen.
Artsen moeten voortaan advies vragen van het samenwerkingsverband over het onderwijskundig perspectief: de ontwikkelmogelijkheden van de leerling in het onderwijs binnen een redelijke afstand van de woonplaats. Dit advies moet als bijlage toegevoegd worden aan de verklaring. Ook verdwijnt het onderscheid tussen de jaarlijkse en permanente vrijstelling: er is variatie mogelijk in de duur van de vrijstelling.
